| Preek van de week |
|
|
||
| 18 april - derde paaszondag |
|
|
Lezingen: Handelingen
5,27-41
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Paasfeest, paasmaal, paasei, paashaas, paasklokken,
paasbloemen, paasmarkt, een paasvakantie, gekleed zijn op zijn paasbest…
Samenstellingen met het woord 'pasen' roepen een sfeer op van feestvieren,
vreugde, genieten. Het kerkelijk hoogfeest van de verrijzenis is
uitgegroeid tot een hoogtijd voor heel de samenleving, gelovig of niet.
Vraag het maar aan de commercie en de touroperators. Maar bracht die verschijning bij de apostelen
een ommekeer teweeg? Toen Jezus acht dagen later opnieuw verscheen om de
ongelovige Thomas even op zijn nummer te zetten, waar bevonden de
leerlingen zich toen? Als bange wezels zaten ze nog steeds tussen
diezelfde vier muren. Een vrolijke paastijd is het voor hen niet geworden.
Geleidelijk ebt hun angst weg. En wat zien we? De een
na de ander kapt ermee. Denk maar aan die twee van Emmaüs. Ook aan hen
verschijnt Jezus. Diep onder de indruk hollen ze naar Jeruzalem om aan hun
collega's te vertellen wat er gebeurd was. En wat is het effect bij de
anderen? Geen. Moedeloosheid blijft troef. De leerlingen weten van geen
hout pijlen maken. De leegloop houdt aan. Stilaan gaat iedereen zijn eigen
weg, meestal terug naar zijn geboortestreek.
Vandaag zitten er en stuk of zeven bij elkaar, ergens
in Galilea. Uitgepraat over de tijd van toen. En na een lange stilte hoor
je het Petrus zo zeggen: "Ik ga weer vissen".
Blijkbaar heeft hij de knoop doorgehakt, want ook de
anderen gaan mee aan boord. Ze hebben een punt gezet achter hun
apostelschap, de draad van vóór Jezus' tijd weer opgenomen. Petrus,
opnieuw een doodgewone visser. Als het morgenlicht begint te dagen, breekt ook de
dageraad van het heil aan. Jezus komt in beeld. Petrus herkent Hem niet.
Dat kon ook niet, want een leeg hart kan Jezus niet herkennen. Als Petrus,
op het woord van die vreemdeling, zijn netten opnieuw uitgooit, zitten ze
vol. Ook zijn hart loopt vol, vol van vreugde. Niet om de dik belegde
boterham die hij uit het water heeft gehaald, maar omdat het in hem begint
te dagen: "Het is de Heer" die hem opwacht. En in al zijn
onstuimigheid laat hij zijn maats in de steek, duikt het water in en zwemt
naar Jezus toe.
Hier wordt de prelude getoonzet van Petrus' volledige
rehabilitatie. "Jezus nam het brood en gaf het hun en zo ook de
vis." Je hoort het aan het woordgebruik: het gaat hier niet om een
hap-snap-ontbijt op een doordeweekse morgen. Het gaat hier om een typische
Jezus-maaltijd, waar iets wezenlijks staat te gebeuren.
Na het ontbijt gaat Jezus naar Petrus toe: "Simon,
heb je me lief?" Drie keer na elkaar. Petrus had redenen te over om
bedroefd te zijn en wroeging te hebben toen hij zo driemaal doordringend
geconfronteerd werd met de vraag naar de kwaliteit van zijn liefde en
trouw. Hij weet dat hij geregeld in de fout is gegaan:
- Ik heb heftig tegengesproken toen Jezus zei dat
Hij moest lijden. En schuldbewust antwoordt Petrus: "Ja Heer, uj
weet dat ik u liefheb, ondanks al mijn zwakheid".
Tot deze man, helemaal geen toonbeeld van volmaaktheid,
zegt Jezus: "Weid mijn schapen". Ik denk dat Petrus zijn oren
niet kon geloven toen Jezus hem de leiding van de Kerk toevertrouwde.
Nu we weten dat het in dit verhaal gaat over de
stichting van de Kerk van Jezus, kunnen we ook de betekenis begrijpen van
die wat vreemde zin uit onze evangelielezing. "Het net was vol grote
vissen, 153 stuks, en hoewel er zoveel waren, scheurde het net
niet". Is dit een typische vissersoverdrijving of doet Jezus
hier vlug-vlug een wonder om te voorkomen dat de apostelen door hun te
succesrijke vangst zonder buit aan wal zouden komen? Naar het schijnt dacht men in die tijd dat er 153
verschillende soorten vis bestonden. Onze tekst zegt dus: Alle
vissoorten van de wereld zaten in het net. En met ‘het net’ wordt ‘de
Kerk’ bedoeld.
Alle 'soorten' mensen, zonder onderscheid, kunnen gered
worden. De Kerk mag niemand a priori uitsluiten. Gods heil is er voor
iedereen. Hij laat niemand door de mazen van het net glippen.
Toen Petrus en de zijnen het net aan land sleepten, had
Gods trouw en vergevensgezindheid hen reeds opnieuw als mensenvissers
aangenomen, ook al waren zijzelf zich op dat ogenblik daarvan nog niet
bewust. Dat dringt pas ten volle tot Petrus door op het moment van zijn
volledige rehabilitatie.
Die nieuwe geboden kans grijpt hij met beide handen
aan. Zijn onstuimige aard verloochent hij ook nu niet. Dat hoorden wij in
de eerste lezing:
De apostelen blijven, ondanks verbod, hun Jezusgeloof
verkondigen. En als ze daarvoor door de hogepriester op het matje
geroepen worden, komt Petrus wel erg scherp uit de hoek:
"De Jezus, waaraan jullie je vergrepen hebben
door Hem aan het kruis te slaan, Marc Christiaens o.p. (Schilde).
|
| |